Kroeshaar en luxe

Op de hoek van mijn straat in Den Haag is een luxe hotel, waar altijd portiers buitenstaan. Elke dag op weg naar mijn werk kom ik er langs. Mijn buren en ik zijn het er allen over eens: één van de portiers is duidelijk het aardigst. Hij groet iedereen, lacht vriendelijk en als je zin hebt maakt hij een praatje met je. Altijd met een glimlach, altijd in zijn keurige portierspak.

Op weg om boodschappen te doen vandaag, liep ik langs een andere portier, die me even hartelijke groette. Ik was hem al voorbij gelopen, toen ik me realiseerde dat het ‘onze’ portier was. Hij had er alleen totaal anders uitgezien. Zijn kroeshaar, soms ingevlochten tot kleine vlechtjes, had plaats gemaakt voor een kort en strak kapsel.

En terwijl ik bij AH mijn mandje aan het vullen was, repeteerde ik in mijn hoofd de grappige opmerking die mijn ‘blunder’ van hem niet herkennen goed zou maken. Maar toen ik terugliep, zag ik dat er een tweede portier naast hem stond voor het hotel. Mijn gevatte opmerkingen trokken zich spontaan terug in mijn hoofd. Ik zei alleen iets als: “Eh… had je genoeg van je look?!” Hij glimlachte bescheiden en bleef stil. In een poging er toch nog een grap van te maken, gebaarde ik naar het hotel en vroeg “…. of hadden zíj er misschien genoeg van?” “Ja ook, een beetje”, antwoordde hij.

Zijn collega – een oudere man met lichtblauwe ogen en grijs stekeltjeshaar – deed nu een stap naar voren. Hij zei: “Ze vonden dat het eigenlijk niet kon, dat het niet representatief was. Ze vonden zijn kroeshaar lijken op een ragebol. Terwijl ik het er heel mooi uit vind zien.”

Het liedje van India Arie dat mij leerde over de soms beladen verhouding tot je eigen kroeshaar sprong meteen áán in mijn hoofd. (“I am not my hair“) “Jeetje. Dat is nogal wat. Vind je het vervelend als ik er nog wat over vraag?” Hij legde als antwoord uit dat voor zijn leidinggevenden representativiteit min of meer gelijk staat aan een militaire coupe. Ik schoot in één van mijn eigen vooroordelen en vroeg hem of misschien de veelvuldige Japanse gasten van het hotel misschien geklaagd hadden. “Nee hoor, ze vinden het juist geweldig en vragen vaak of ze met me op de foto kunnen!”

Houdt de haardos van een Surinaamse-Nederlander het aangenaam verblijf in een luxe hotel tegen? Tast zijn look met kroeshaar – vaak ook ingevlochten – het luxe-imago van het hotel aan?  Mijn gok is dat de leidinggevende er niet lang bij stil stond dat er niet maar één representatieve ‘look’ is. Wat zou  het leuk  zijn om het management van dit hotel mee te nemen op reis – maar dan nu met een toertje door superdivers Den Haag of Amsterdam. Dan zouden we met een kopje koffie bespreken hoe representativiteit en eigenheid bést samen kunnen gaan.

Voor toers zie bijvoorbeeld http://dander.nl/urban-tour/

Door Sharon Polak